
Pieter van Vollenhoven vindt dat het verspreiden van bepaalde AI-filmpjes strafbaar moet worden. Volgens hem kan kunstmatige intelligentie steeds gemakkelijker beelden en video’s maken die nauwelijks van de werkelijkheid te onderscheiden zijn. Dat brengt volgens de oud-voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid nieuwe risico’s met zich mee voor de samenleving.
Vooral zogenoemde deepfakes baren Van Vollenhoven zorgen. Met behulp van AI kunnen gezichten, stemmen en situaties worden aangepast of volledig worden nagebootst. Daardoor kunnen mensen worden afgebeeld alsof zij iets hebben gezegd of gedaan wat in werkelijkheid nooit is gebeurd. De gevolgen daarvan kunnen groot zijn, bijvoorbeeld voor iemands reputatie, privacy of veiligheid.
Van Vollenhoven vindt daarom dat er duidelijkere regels moeten komen. Niet alleen het maken van schadelijke AI-video’s zou volgens hem kritisch moeten worden bekeken, maar ook het bewust verspreiden ervan. Wanneer iemand weet dat een video nep is en deze toch deelt om een ander te beschadigen of misleiden, zou daar volgens hem een juridische consequentie aan moeten kunnen worden verbonden.
Tegelijkertijd is het belangrijk om onderscheid te maken tussen schadelijke deepfakes en onschuldige AI-content. Kunstmatige intelligentie wordt namelijk ook gebruikt voor entertainment, onderwijs, satire en creatieve projecten. Een nieuwe strafbaarstelling mag er volgens deskundigen dan ook niet toe leiden dat legitieme toepassingen van AI onnodig worden beperkt.
De discussie over AI-video’s komt op een moment waarop de technologie zich snel ontwikkelt. Een video die vandaag nog duidelijk kunstmatig lijkt, kan morgen al overtuigend echt lijken. Daardoor wordt het voor internetgebruikers steeds moeilijker om betrouwbare informatie van gemanipuleerde beelden te onderscheiden.
De oproep van Van Vollenhoven onderstreept volgens voorstanders de noodzaak om sneller na te denken over de juridische grenzen van AI. De komende jaren zal waarschijnlijk duidelijker moeten worden welke vormen van AI-manipulatie acceptabel zijn en wanneer de overheid moet ingrijpen. Daarbij staan niet alleen technologische ontwikkelingen centraal, maar ook de bescherming van burgers en het vertrouwen in informatie op internet.